Herman Keppy (Amsterdam West, 1960) is journalist, onderzoeker, schrijver, uitgever en tentoonstellingsmaker. Hij geeft regelmatig lezingen, publiceert in diverse media en heeft meegewerkt aan meerdere boekpublicaties. Van eigen hand zijn zeven boeken verschenen: De laatste inlandse schepelingen, Tussen Ambon en Amsterdam, Flat River Flamingo, Pendek, Zijn jullie kerels of lafaards?, Saparua, meisje en Moordgozer op Museumplein.

Hij is de zoon van een Molukse vader en Nederlandse moeder, geboren en getogen in Amsterdam. Na de St. Imelda kleuterschool (foto boven) volgde hij onderwijs aan de St. Henricus school, het Spinoza Lyceum en de School voor de Journalistiek (Utrecht). Voetbalde bij DCG en speelde basketball bij onder meer Racing Agon, Buitoni, MAC Cardinals, US, BV Amsterdam en Azimma.
Jarenlang heeft hij gewerkt als eindredacteur van onder meer de magazines Focus, Nouveau en Zorg+Welzijn. Hij was redacteur en eindredacteur van de Molukse bladen Tjengkeh en Marinjo. Artikelen van hem zijn gepubliceerd in Het Parool, de Volkskrant en Algemeen Dagblad. Voorts leverde en levert hij bijdragen aan bijvoorbeeld fototijdschrift Focus, Indisch maandblad Moesson, het Historisch Nieuwsblad en Ons Amsterdam. Hij is uitgever bij uitgeverij West en voorzitter van stichting ArtEsteem.
Technische specialisaties: eind- en beeldredactie, onderzoek en interview. Inhoudelijke specialisaties: cultuur, geschiedenis, Indonesië en fotografie. Researcher naar onderbelichte feiten uit de Indonesische geschiedenis. Daarover vertelt hij regelmatig voor een zaalpubliek en op radio en tv.
Musea doen nu en dan een beroep op Herman met betrekking tot tentoonstellingen of lezingen. Daaronder Museum Bronbeek in Arnhem, het Haags Historisch Museum, Museum Maluku, Maritiem Museum Rotterdam, Verzetsmuseum Amsterdam, Joods Historisch Museum en het Rijksmuseum.
Boek Herman voor een lezing of evenement via de Schrijverscentrale. Voor overige vragen of opmerkingen, gebruik het contactformulier op deze website.
STOLPERSTEIN VOOR ANTON DE KOM
‘De Kom was niet alleen belangrijk voor Surinamers, maar ook voor Nederlanders en internationaal. Ver voor de Tweede Wereldoorlog had hij al contact met Indonesische nationalisten en met mensen in de nabijheid van Jawaharlal Nehru, de eerste premier van India. Ze zagen al vroeg dat het fascisme gevaarlijk is voor ons allemaal en dat we daar tegen moeten vechten. Terecht dat er een Stolperstein voor hem is onthuld.’

Aldus Herman Keppy in het Algemeen Dagblad. Hij was toevallig aanwezig bij de onthulling, omdat zijn vriend Carl Haarnack hem een antieke landkaart van de Molukken kwam brengen. Haarnack zou woensdag 29 juni toch in Den Haag zijn. Bleek dat hij als voorzitter van de Anton de Komstichting een woordje zou spreken bij het leggen van de struikelsteen.
Daarom nam Herman ouderwets zijn fotocamera mee. De foto van de stratenmaker die hij vervolgens postte brak persoonlijke records op de sociale media.
Algemeen Dagblad, zaterdag 2 juli 2022.
MARINE-MOLUKKERS IN MOKUM
De redactie van AT5-programma ‘De Straten van Amsterdam’ wilde stilstaan bij ’70 jaar Molukkers in Nederland’, bedacht de Veemkade als locatie, oom Herman als spreker en verwachtte een droevig verhaal.

Tja, en dan neemt het plannetje een andere wending. Want oom Herman vertelt dat in Amsterdam al tenminste 130 jaar Molukkers wonen. 70 jaar geleden arriveerde er een groep ‘Marinemolukkers’ in de stad. Die zetten geen voet aan wal op de Veemkade, maar in Rotterdam. In Mokum waar zij zich vestigden, zouden hun kinderen vrolijk opgroeien tussen mede-Amsterdammertjes. Daardoor kenden zij minder frustraties en problemen dan de KNIL-kids die in de Ambonezenkampen verbleven.
Als kers op de taart komt tijdens de opnamen een van die marinekinderen toevallig langslopen. Loeloe Pelupessy vult het verhaal perfect aan.
AT5, juni 2021. Te bekijken op AT5.nl, Straten van Amsterdam, Veemkade.
WAT HEB IK AAN EXCUSES?
In Indische Letteren staat een interview van Aleksandra Galinowicz met Herman Keppy over zijn boek Tussen Ambon en Amsterdam. Hier volgt de allerlaatste vraag en het antwoord.

Er wordt met enige regelmaat gediscussieerd over de excuses die Nederland en andere Europese landen zouden moeten aanbieden aan hun voormalige koloniën. Wat is uw mening over dit onderwerp?
‘Ik ben het niet met de excuses eens. Wat heb ik eraan? Waarom zou ik bijvoorbeeld drieduizend euro’s moeten incasseren omdat mijn familie in het verleden iets is aangedaan? Wat gebeurd is, is gebeurd. Waar het mij om gaat is: vergeven, maar niet vergeten. Een boek zoals Tussen Ambon en Amsterdam is belangrijk omdat het ons helpt om niet te vergeten.
[…]
Excuses? Wat kan de huidige generatie Nederlanders er aan doen aan wat zo veel generaties geleden is gebeurd. Er zijn nog steeds veel Molukkers die in Molukse wijken wonen en gefrustreerd zijn door de onvervulde beloftes van de Nederlandse overheid. Ook veel Indische mensen verspillen hun tijd aan financiële claims en excuses. Het is contraproductief en belemmert je ontwikkeling. Mijn advies is: doe je eigen ding, ontplooi jezelf, maar vergeet niet waar je vandaan komt.’
Indische Letteren, 31ste jaargang, nummer 4, december 2016
OMA EN OPA BOON
Art-director Martin Keppy (54, links) zat zomer 1964 tezamen met broer Herman (55, journalist) in de achtertuin van hun grootouders aan de Amsterdamse Willem Leevendstraat 5 huis.

‘Herman en ik werden vaak naar oma Boon gestuurd. Opa Boon, een beer van een vent, kende als postbode iedereen, was handig en betrouwbaar: een beetje de buurt-burgermeester. Als er brand was riepen ze hem, niet de brandweer. Later namen de vijf broers Keppy die rol over. Vanwege onze huidskleur moesten we ook vechten. Gelukkig waren we sportjongens. Herman was een uitstekende basketballer, ging zelfs naar Amerika. Ik bokste bij ABOV.
Mijn jeugd was niet makkelijk. Thuis voelde ik me beklemd. Zodra het kon, op mijn achttiende, verliet ik het ouderlijk huis en ging naar de Rietveld Academie. Toch keerde ik terug in de buurt. Inmiddels woon ik alweer ruim dertig jaar in dezelfde straat op nummer zestien. Soms komt Herman op bezoek. Dan kijkt hij altijd even naar het oude huis van oma en opa Boon.’
NRC-Handelsblad, zaterdag 5 september 2015
UITGEKOTST
De mensen hebben geen idee, zegt journalist Herman Keppy over de betrokkenheid van Indonesiërs bij het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Hij is ‘absoluut’ op een missie om die misstand in zowel Nederland als Indonesië uit de weg te ruimen. ‘Het is niet zozeer onderbelicht, het is gewoon niet bekend.’

4 mei voert hij, zelfverklaarde Bekende Molukker en geboren en getogen Amsterdammer, het woord in Van Eeghenlaan 11, het onderduikadres voor het Indonesische verzet van tante Marie. Zij was ook Molukse, doorstond tot drie keer toe Duitse verhoren zonder door te slaan.
Keppy: ‘Ze waren door hun eigen onafhankelijkheidstrijd nauw gelieerd aan de Communistische Partij, de enige partij die het met hen eens was. Vanwege hun onafhankelijkheidstrijd werden ze na de oorlog in Nederland uitgekotst.’
Uit Het Parool 4 & 5 mei-bijlage 2014
BURMESE DAYS
Een van Keppy’s favoriete schrijvers is George Orwell, bekend van 1984 en Animal Farm. Maar ook bijvoorbeeld Down and Out in Paris and London en Burmese Days zijn erg goed. Uit het laatste boek komt dit citaat: ‘It was a wooden-walled room with two pillars, still recognizable as teak-trunks supporting the roof-tree, and it was dark and sluttish as all Burmese rooms are. […] The floor was covered with bamboo mats, much splashed by lime and betel juice.’
George Orwell die tussen 1922 en 1929 in Birma woonde beschrijft een plaatselijke kamer ‘Dark and sluttish’, donker en slonzig en de vloer is bedekt met (uitgespuugd) limoen- en betelsap. Hygiëne en netjes houden zijn er bijna negentig jaar later nog steeds nauwelijks bekende begrippen, ontdekt Herman die in 2009 en 2010 in Yangon woont. Hij schrijft familie en vrienden in Nederland:

‘Er zijn hier verscheidene parken waar met name young lovers graag wandelen. Er heerst wat dat betreft een jaren zestig sfeer, want de oudere generaties vinden dat openlijk verliefd zijn maar niks. Na het kuieren plegen de paartjes zich romantisch neder te vleien op een bankje. Hoe dat bankje eruitziet, met name hoe smerig het is, maakt ze niets uit. Kijk, dat die parasol door hevige regen en even hevige zon tot schroot werd vervormd, is nog tot hieraan toe. Maar rond het bankje ligt het afval van ontelbare, andere lovers die voor het liefkozen nog een hapje nuttigden.’
Birmese days is uit 1935, het citaat uit de brief van 2010
ANDERS
‘Mijn vader is in 1951 naar Nederland gekomen. Door zijn werk bij de marine was hij zijn leven niet meer zeker in Indonesië. Hij is veiliggesteld, zoals dat heette. In Nederland is hij getrouwd met mijn Nederlandse moeder, een afstammeling overigens van een VOC-schipper.

Mijn vader heeft in Nederland de knop resoluut omgezet. Hij sprak met geen woord over zijn verleden. In die zin waren we absoluut geen Moluks gezin. Nou ja, hij draaide af en toe van die krontjongmuziek of hij zong een Maleis liedje. En ik herinner me nog dat ik op school tijdens de gymles vroeg of iemand mijn pendek had gezien. Niemand begreep dat ik op zoek was naar mijn onderbroek. Ik dacht dat het een gewoon Nederlands woord was. Aan die kleine dingen merk je dat je anders bent.’
Interview door Patrick Meershoek in Het Parool, 16 maart 2002
KLOMPENDANSEN
Herman Keppy: ‘Als je te zeer vasthoudt aan tradities, dan is er geen beweging, geen leven en verworden goede dingen van vroeger tot folklore.’ De Molukse dansen vormen voor hem een navrant voorbeeld.

‘De fanatiekste mensen zeggen: er moeten oorspronkelijke Molukse kleuren worden gedragen. De attributen moeten van de Molukken komen, dus echte paradijsvogels in het haar. En dan dansen op blote voeten! Ga je naar Ambon – ik ben er geweest – dan zie je dat de meisjes hebben gekozen voor de mooiste sarongs. Die komen niet van Ambon, maar van Sulawesi of Java. Ik heb kinderen gezien die sierlijke bewegingen maakten die ik hier nog nooit heb gezien, op Madonna! Dat is een cultuur in beweging! Ik heb een Nederlandse moeder, daarom ben ik nog geen liefhebber van klompendansen. Moet ik dan wel van Molukse folklore houden? Sudah, laat maar!’
Interview in boekje Omzien naar de Toekomst, Portretten van Molukkers in Nederland (Saron Petronillia, Forum, Utrecht 2001)
ECHTE MOLUKKERS
Het tijdschrift Contrast maakt in 2000 een special over identiteit. Voor het artikel Echte Molukkers, de RMS als symbool voor identiteit worden Daniël Maäpita, Reinier Tuasuun, Anis de Fretes en Herman Keppy geïnterviewd.

‘Keppy is onder andere redacteur van het ‘onafhankelijk Moluks maandblad Marinjo. In zijn artikelen probeert hij alle kanten te belichten van de Molukse kwestie. Als het om zijn eigen mening gaat, neemt Keppy echter geen blad voor de mond. “Ik sympathiseer met Soekarno. Hij heeft veel gedaan voor het Indonesische volk en heeft de Nederlandse onderdrukker het land uitgeschopt. Dat moeten we niet vergeten.
En zelfs Etty Aponno, woordvoerder tijdens de treinkapingen in de jaren zeventig zei onlangs in een interview: Je hoeft geen RMS-er te zijn om Molukker te zijn. Daar ben ik het helemaal mee eens.” Keppy noemt zichzelf “een Amsterdammer van Molukse afkomst. Wel heb ik me vanaf mijn 25ste heel goed verdiept in de geschiedenis van Indonesië. Wat daar allemaal in het verleden is gebeurd en momenteel weer aan de hand is, is niet mis.”’
Janna van Veen voor Contrast 20/21, 2000
BIJEENGERAAPT ZOOITJE
Het was een jongensdroom. Back at the Apollo. Ofwel: basketbal terugbrengen in Amsterdam, waar het ooit, vijftig jaar geleden, begonnen was. […}
Herman Keppy, perschef van FP Amsterdam: ‘Vroeger speelde ik op zaterdagmorgen in een jeugdploegje in de Apollo. Daarna bleef je er met je vriendjes de hele dag, schieten op lege veldjes, dribbelen. We hadden geen cent te makken. En dan, tegen vijven, werden al die jochies zoals ik de hal uitgegooid, omdat Canadians eredivisie speelde en je daarvoor toegang moest betalen. Dat was toen al meer dan wij nu vragen.’

‘Wij’, dat zijn Keppy met zijn vrienden: Oscar Kales, Ed de Haas, Carlo Brunink en nog een paar Amsterdamse basketbalfanaten. Zij zagen met lede ogen dat de hoofdstad al enkele jaren topbasketbal moest ontberen en dachten met weemoed terug aan de gouden jaren. Bij hen ontstond het plan een Amsterdamse eredivisieclub te stichten. […]
Er waren een kleine vierhonderd kijkers. ‘Ach, het zijn er in ieder geval meer dan er bij Canadians kwamen’, monkelde een habitué van weleer – type Amsterdamse kankerpit – aan de bar. ‘Het zal wel niks worden, maar het heeft wel wat.’ De speaker [Keppy]: ‘Ons team wordt in de wandelgangen beschreven als een bijeengeraapt zooitje. Dat is misschien wel zo, maar dan wel een prachtig zooitje.’
Trouw, 18 september 1995 (de Amsterdammers veroveren in ’96 de nationale beker, in ’97 het landskampioenschap)
NO WOODEN SHOES
The newest young man added to the Mac list of cage hopefuls is Herman Keppy of Amsterdam, Holland. Keppy is a towering and slender 6-9, but concedes he is coming to a new world of basketball in America. He will have to adjust not only to the rules used in the United States, which are different in several ways from international basketball, but also the style of play.

How did a 21-year-old player from Holland wind up at Mineral Area College? That is unique story in itself. Keppy came to the United States last spring for a ‘holiday’ during which he visited some Dutch friends in New York and at Owensboro,KY. The friend at Owensboro is Henk Pieterse who is playing for Kentucky Wesleyan College. Pieterse suggested to Keppy that he should come to the U.S. to play college basketball.
Interview Leroy Sigman in The Press, 10 september 1981